Artikel uit het jaarboek 2003 heemkundekring “Baronie en Markiezaat”

 

Fragmenten uit de eerste wereldoorlog (1914-1918)

 

 

Waarschijnlijk waren de meeste inwoners van Sprundel tot augustus 1914 niet op de hoogte van de onrustige internationale politieke situatie die uiteindelijk een wereldoorlog tot gevolg zou hebben. De onstabiele situatie in Europa ontstond door de steeds groter wordende politieke en economische tegenstellingen tussen de grote mogendheden in Europa. Begin 1914 vormden zich twee kampen: Oostenrijk-Hongarije en Duitsland tegenover Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië. De moord op aartshertog Frans-Ferdinand, de beoogd troonopvolger van de keizer van Oostenrijk-Hongarije, en zijn echtgenote  was uiteindelijk de aanleiding die in midden-Europa een vreselijke wereldoorlog zou ontketenen.

 

Ondanks de neutrale positie van België en Nederland, raakten zij toch betrokken bij dit conflict. Vooral België werd ongewild meegesleept in de oorlog. De oorzaak was dat in een ultimatum Duitsland een vrije doorgang door België eiste om het Franse leger te verhinderen via België Duitsland binnen te vallen. België weigerde echter op 3 augustus 1914 aan deze eis te voldoen. Een dag later vielen Duitse legereenheden België binnen via het noordoosten van de provincie Luik. Een goed getraind en bewapend Duits leger wist binnen enkele weken grote stukken Belgisch grondgebied te veroveren.

 

In de nacht van 7 op 8 oktober 1914 kwam de stad Antwerpen in de vuurlinie van het Duits offensief te liggen. Mede vanwege het uitermate gruwelijk en gewelddadig gedrag van de Duitse soldaten vluchtte het Belgische leger (40.000 soldaten) de stad Antwerpen uit, de bevolking onbeschermd en angstig achterlatend. Het gevolg was dat er in de regio Antwerpen nog eens 1 miljoen mensen op de vlucht sloegen richting het nog veilige Nederland.

 

Op 1 augustus 1914 werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. Ook een klein dorp als Sprundel werd daardoor geconfronteerd met het begin van de eerste wereldoorlog. De Sprundelse mannen tussen de 20 en 36 jaar die ingeschreven stonden bij de militie en landweer moesten zich melden op hun kazerne. Korte tijd later kwamen in Sprundel vele militairen van elders om  ingekwartierd te worden en Belgische vluchtelingen die een veilig onderkomen zochten. Dit alles maakte ons dorp tot een totaal andere samenleving dan voorheen.

Deze tijdelijke verandering in de Sprundelse samenleving wordt geïllustreerd door een keur aan fotomateriaal uit de periode ‘14-‘18 dat in ons fotoarchief aanwezig is. De aanwezigheid van dit materiaal heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij mijn beslissing om met dit artikel een beeld te willen geven over een groot aantal aspecten van de Sprundelse samenleving uit die tijd.

 

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog in augustus 1914 telde Sprundel ongeveer 1500 inwoners. Een dorp omringd door voornamelijk boerenbedrijfjes met als middelpunt de St. Janskerk waar pastoor Petrus Lips en kapelaan Petrus Stoop zorg droegen voor de zielenrust van hun parochianen.  

 

 

 

Aanzicht Dorpstraat (thans St. Janstraat)

 

Één van de vele aanzichtfoto’s van de Dorpstraat (thans St. Janstraat) die vlak na de mobilisatie is gemaakt. Opvallend op de meeste van deze foto’s uit die tijd zijn de vele militairen die op straat te zien zijn.

Links op deze foto staat de marechaussee-kazerne, op B31a woonden marechausse Cornelis Nieuwland met zijn vrouw en dochter, In het andere gedeelte van de kazerne (B31b), waren ook nog drie marechausse’s woonachtig, Petrus van Hoof, Leendert Blaazen en Abraham Korsten. Gezien de grote van dit overheidsgebouw werden kort na de mobilisatie een groot aantal militairen in dit gebouw ingekwartierd.  

De woonhuizen aan de rechterkant werden in 1914 (van voor naar achter) respectievelijk  bewoond door: Cornelis Verdiesen met zijn zusters Maria en Dymphna. Daarnaast de familie van der Smissen-Kuijstermans, over dit gezin en woonhuis later meer. In het volgende huis woonden Marijnis Monsieurs en zijn vrouw Aldegonda Tak met hun twee dochters. Daarnaast  weduwe Adriana Koenen-Hendriks met haar vier zonen en één dochter. Weduwe Petronella Voeten-Konings haar zoon Adrianus en kostganger Adrianus Hendrikx waren de volgende bewoners.De voorlaatste woning werd bewoond door Cornelis Cas zijn vrouw Catharina Goetstouwers en schoonmoeder (van Cornelis) Johanna van Aart. Het achterste huis (thans “’t Lekker Plekske”) was van de familie van de Sande-Hoppenbrouwers met hun zeven dochters en twee zonen.

 

Goed te zien op deze foto is dat de straat voor de helft verhard was met maaskeien, terwijl de andere helft zandpad was. Het verharde gedeelte was bedoeld voor de boerenkarren met paard die met enige regelmaat door de Dorpstraat reden én voor het enige automobiel wat op 28 oktober 1914 in de gemeente Rucphen geregistreerd stond. Het was een Clement Broger, en de eigenaar van dit automobiel was Dokter H. Koch uit Rucphen. Vrachtauto’s waren toen in onze gemeente niet aanwezig.

 

 

St. Vincentius-Gesticht

 

Dit klooster werd in 1868 gesticht en vanaf die tijd bewoond door de zusters van de St. Vincentius-stichting. De ongeveer dertig zusters in dit klooster stelden zich ten doel de Sprundelse gemeenschap ondersteuning te verlenen in gezondheidszorg, religie en vooral het kleuter- en meisjesonderwijs. In hun kloosterkroniek lazen wij uit de jaren tijdens de eerste wereldoorlog.de volgende fragmenten:

 

1914

Grote Europese oorlog!

Mobilisatie! ‘s Nachts om 1 uur kwamen enige soldaten, moe gemarcheerd bij ons aan om in de oude scholen te slapen. Zelf moesten ze nog stro bij de boeren gaan halen. Eén hunner was zo overstuur van heimwee en vermoeienis, dat hij hier in stuiptrekkingen neerlag. Hij werd afgekeurd en kon naar Tilburg teruggaan.

Enige dagen later werd de zolder boven de nieuwe onderwijsschool gerequireerd en dokter v. Moorsel uit ‘s Hertogenbosch had een ziekenzaal nodig. Zo hadden de zusters slechts 2 lokalen voor ‘t onderwijs soms ook niet één. De zolder boven deze school werd, liefst onder schooltijd, wel eens gebruikt voor repetitielokaal voor ‘t concert. Op zekere dag waagde Sr. Philomena, die de sergeant naar boven had zien gaan, ‘t toch maar eens en tippelde ook naar boven. Ze kwam met het verzoek nog een half uur te wachten met de hele repetitie. ’t Waren goede Limburgers! ‘s Avonds was de zolder danszaal. De ziekenoppasser die op de grote spreekkamer de verzorging der patiënten waarnam, moest ook elke avond naar die danszaal om warme voeten te krijgen. De kleine spreekkamer was toen bureau voor de schoenreparaties. De garderobes ‘aangebouwd ‘ aan de oude school werden gebruikt als washuis voor de soldaten. Ja, we zaten er toen ook flink en mooi in! Maar .... toén was het allemaal eigen volk !

(Bewaarschool 69 kinderen.  Lager Onderwijs 105 leerlingen.)

 

1915

Er werd in de school een leke onderwijzeres aangesteld, de eerste in Sprundel. Er was, o zo'moeilijk een kosthuis te vinden. In heel korte tijd volgenden elkaar op: Juffr. Brouwers, Victoire Bogaers, Marie Wever en nog een andere juffr. uit Roosendaal. Ook een nieuw hoofd der school Sr. Damienne-Verheijen. Een van de Zusters, later verplaatst, schreef over deze tijd: Ik heb bij mijn werken in Sprundel altijd ondervonden, dat de mensen daar eenvoudige, goed gelovige Christenen waren, die met de Zusters meewerkten voor het welzijn der kinderen  enkele uitgezonderd, die ze liever lieten verdienen, dan naar de school te sturen. Op school zagen de kinderen er zindelijk uit, maar thuis was het anders. Dokter Vermast uit Etten zei: "Zusters U moet hier in Sprundel wat beschaving zien te brengen - al leer je ze alleen maar hun huizen en de bedden der zieken wat beter te verzorgen. Ik zie ze dikwijls met hun hoofden in 't kaf liggen. Hierbij de anderen niet te ná gekomen, want er zijn toch veel nette mensen en kinderen op school, die men door een ringetje kan halen! De tijd van zwarte mutsjes en netjes, van donkere schortjes en kleedtjes is zachtaan voorbij gegaan. De boeren en ook de burgerij zijn ons, Zusters genegen. Dit blijkt vooral bij gelegenheid van 't varkens slachten en als de kippen weer eieren beginnen te leggen. Dan delen ze graag aan ons mee.

Reeds jaren kwijnde Sr. Pia- van Gijsse, hoofd van de school alhier, geen goede zorgen hebben haar leven langer kunnen rekken. Zij stierf in de ouderdom van 41 jaar, het 21 ste jaar van haar H. Professie-22 juni '15. Hier op 't kerkhof begraven, links v.d. kruisberg.

(Bewaarschool 86 kinderen.

Hoofd der school Sr. Damienne- J.v. Rijen Lager Onderwijs 124 leerlingen.)

 

1916

Dit jaar heeft een H.Missie plaats gehad, geleid door de ZEW. Paters Doens en Rotier, Redemptoristen. In 1909, na het bouwen van 't nieuwe Zustershuis en de daarop volgende jaren, werd steeds meer de leegte op de Kapel aangevoeld. Een van de Zusters schrijft: Jammer, dat we de grootste Schat voor een klooster, n.l. "Ons Heer" niet op het kapelletje krijgen. Ei ndelijk dit jaar is dit voorrecht verkregen van Z. Exc. Mgr. Hopmans. D.Gr.

De kapel, die vroeger er nog kaaltjes uitzag is gemeubileerd met altaar, communiebank ene door Mej. Antonia Bierwagen te Dongen, zuster van een van onze  zusters. Zij heeft daarvoor ƒ 1500 geschonken. Krachtens volmacht van Mgr. Hopmans heeft Pastoor Lips de kapel plechtig gewijd op 21 november.

(Aantal kinderen in de onderwijsschool 130, in de bewaarschool 70 á 80.)

 

Foto: Bewaar en meisjesschool van de zusters St. Vincentius- stichting 1916

 

Voorste rij v.l.n.r.: twee onbekenden, Sander Verlaar, Willem Aarts, Willem Aarts (Chr.z.), Marinus Boomaerts, Nico de Wild, Jan van de Sande, Wim Daas, Piet Vergouwen, onbekend en Jan Clarijs.

2e rij: Mien van den Maagdenberg, gebr. Koevoets ?, Willem Verlaar, Cor Verlaar, Jaai Aarts, Neli Hezemans, Trien Kools, Sjo Antonissen, tussenin Sjaak Daas, Marie Lazeroms, onbekend, met witte kraag: Marinus Boomaerts en onbekend.

3e rij: Cor Vergouwen, Marie de Regt, Wies Herijgens,  … Herijgens, Jan Vergouwen, Joke Vergouwen, met bord: Anneke van der Smissen, Kee van den Broek, onbekend, Stien Coremans, Kee Braat, Kee van den Broek, Marie Roovers, twee onbekenden en Trui van Zundert.

4e rij: Zr. Godefrida, Ciska van der Smissen, Kees van der Smissen, …. van de Luytgaarden, To van de Luytgaarden, Neli Kerstens, Anneke van Oers,  Jan Ros, Naan Aarts, onbekend, Naantje Daas, onbekend, Mien van Zon, Kee van Ginneken, Sjo Heeren en Zr. Anastasia..

Bovenste rij: Marinus Voeten, Nelly Voeten, Naan Clarijs, Naan Oostvogels, Gonneke Hermus, Kee Ros, Rika Vergouwen, Trui Koevoets, Dien van Dijk, Ant. van den Broek, Pietje van den Broek en Anneke van den Broek.  

 

 

1918    

In 1918 heerste in ons land een kwaadaardige ziekte, de Spaanse griep genoemd, die vele slachtoffers eiste. Hier in ons huis is Sr. Godefrida er aan bezweken, de enige zuster in onze Congregatie. 15 Nov. overleed onze beminde Medezuster Sr. Godefrida-v. Ostaaij in de ouderdom van 35 j. het 14e jaar hare H. Professie. 't Was 'n groot verlies voor ons huis. Sr. Godefrida had een hart van goud, ze was voor iedereen even gedienstig en voor de kleintjes in de bewaarschool, haar kleintjes een en al offervaardigheid en liefde. Hier op 't kerkhof is H. Eerw. begraven niet ver van Sr. Pia. Den 21e Nov. was het 50 jaar geleden, dat 't St. Vicentiusgesticht door de Zusters van 't Jozefgesticht te Etten werd aangenomen en bediend. Het herinneringsfeest is vanwege het droevig overlijden van Sr. Godefrida niet 21 Nov. maar 26 Dec. op 2e kerstdag gevierd.

(Bewaarschool 60 kinderen  Lager Onderwijs  127 leerlingen.)

 

Regelgeving van overheden

 

Vanaf de mobilisatie op 1 augustus 1914 werd het gemeentebestuur Rucphen overspoeld met regelgeving vanuit het Ministerie van Oorlog om maatregelen te treffen ten aanzien van de oorlogssituatie die in de omringende landen was ontstaan. Zaken zoals huisvestiging van  Belgische vluchtelingen en inkwartiering van militairen waren twee van de vele problemen waar het gemeentebestuur een oplossing voor moest vinden.

 

Sprundel werd direct na de mobilisatie overspoeld met militairen die ingekwartierd moesten worden. In oktober van 1914 kwamen hier nog de vele Belgische vluchtelingen bij die op zoek waren naar een veilig heenkomen. Zoals in de meeste dorpen en steden in de regio nam ook een groot aantal gezinnen in Sprundel vluchtelingen in huis. Het aantal vluchtelingen wat gedurende de maand oktober 1914 in onze gemeente werd opgenomen en verpleegd was 3000 (bemiddeld) en 2616 (onbemiddeld). Bemiddeld waren de vluchtelingen die hun verblijf geheel of gedeeltelijk zelf konden bekostigen. De onbemiddelde vluchtelingen waren voor hulp geheel  afhankelijk van de particulieren en/of overheidsinstellingen.

 

Enkele dagen nadat de eerste grote stroom vluchtelingen in onze gemeente was geariveerd, vertrok er weer een groot aantal naar elders. Nadat de stad Antwerpen in Duitse handen was gevallen keerden sommige vluchtelingen schoorvoetend naar hun woonplaats terug. Ook werden er in ons land kampen ingericht om de nog grote aantallen vluchtelingen onder te brengen.

 

1100 gulden was het bedrag wat de gemeente beschikbaar had om de vele nog achtergebleven onbemiddelde Belgische vluchtelingen op te vangen. In dit bedrag waren niet inbegrepen het verstrekken van logies, eetwaren, kleding, enz., welke door de bewoners aan de behoeftige vluchtelingen zo weldadig werden geschonken. In een brief van de gemeente Rucphen aan de commissaris van de Koningin in Noord-Brabant word er o.a. melding van gemaakt dat de houding van de bevolking ten opzichte van vluchtelingen goed was. Van de 202 gezinnen waar de vluchtelingen onderdak vonden werd er in een enkel geval dubbeltjes maken (dit is een oud-Hollandse uitdrukking waarmee profiteren van of winst maken bedoeld wordt) geconstateerd. Op 31 december 1914 verblijven er in Sprundel nog maar 15 Belgische vluchtelingen bij wie ‘na gedane navrage niemand aan iets behoefte heeft’.  

 

 

Fam. van IJzendijke uit Antwerpen.

Belgische vluchtelingen ’14-’18 vonden onderdak bij de Fam.v.d. Sande in de  Noorderstraat

 

 

De familie van de Sanden-de Jong boden onderdak aan de gevluchte familie IJzendijke uit Antwerpen. Willem van de Sanden en zijn vrouw Catharina woonden in de Noordstraat (thans Noorderstraat) in een boerderijtje met hun zes kleine kinderen (waaronder Janus van de Sanden van de Munnikendijk). De familie IJzendijke een gezin wat bestond uit vader, moeder, vier dochters en één zoon verbleven negen maanden lang bij de familie van de Sanden. Tot in de jaren '70 hadden beide families nog regelmatig contact met elkaar. Op de foto staat de familie IJzendijke uit de jaren '20, vader die op de foto ontbreekt was intussen overleden.         

 

 

Inkwartiering van de militairen in Sprundel

 

 

Ingekwartierde militairen met en voor het woonhuis van de familie van der Smissen-Kuijstermans  (op aanzichtfoto Dorpstraat: 2e woonhuis rechts van voor).

De man met de pet is Sjef van der Smissen (1871 - 1947). Zijn vrouw Kee Kuijstermans

(1878  - 1967) staat met hun dochter Mien (1912 - 1973) op haar arm. Het kind bij de liggende soldaat is zoon Piet (1907 - 1991) en het kind met muts is zoon Marijn (1909 - 2002). Van de soldaten die waarschijnlijk ingekwartierd waren bij de familie van der Smissen zijn de namen niet bekend.

In dagblad BN/de Stem verscheen op 6 april 1999 een artikel over de belevenissen van Toon Segers. De in 1888 geboren Alphenaar trok tijdens de eerste wereldoorlog met zijn 17e regiment infanterie in deze regio van plaats naar plaats. Hij legde  zijn ervaringen en ontdekkingen vast in een dagboek. Ook maakte hij schetsen van mensen die hij ontmoeten. Hier volgen enkele fragmenten uit dit dagboek:

“Een voordeel was er aan dat soldaat zijn, dat je overal kwam. Als burger zou je niet gauw zoo ver van huis gaan”.

 

De oorlog van ‘14-’18 opende de wijde wereld voor Toon Segers, dienstplichtig mobilisant. Ook bezocht Toon met zijn regiment Sprundel, hierover schreef hij in zijn dagboek:     

  

”… van Wernhout ging het naar Sprundel, links van de rijksweg tussen Etten en Rukvensheike. Met een klein groepje werden wij ingekwartierd bij Van der Smissen. Daar sliepen we ook weer op den zolder op een strozak. Die strozakken kwamen met de troep mee denk ik, want ik geloof niet dat Van der Smissen zoo rijk was om al die linnen stroozakken zelf aan te schaffen. Hij was een arme kleermaker en ik geloof ook niet dat hij veel werk had. Hij dronk nogal eens een borreltje. Hij was voor de tweede keer getrouwd en had een groote dochter en kleine kinderen. Maar het waren goede menschen en die dochter was  een ijverig, vlot meisje. De tekening van Sprundel maakte ik achter het huis van Van der Smissen. De drie soldaten zaten op een bank tegen de muur achter een een tafeltje. Van der  Smissen ging staan tegen de muur op de hoek van een aanbouwke. De grote dochter staat bij de deur van het aanbouwke met de breikous in de hand. Ze had mooi lichtblond haar.

De  huisvrouw staat met de kleinste op den arm bij de deur van de gang en nog een kleine zoon staat bij de soldaten aan het tafeltje. Ze wilden allemaal op de tekening staan. Ze lijken wel niet zo precies, maar de kleeding en de houding heb ik zo trouw mogelijk weergegeven. In Sprundel hadden we ook weer grenswacht, de grens was bijna een uur gaans van het dorp...."

 

 

De schets die Toon Segers bij de familie van der Smissen maakte waar hij tijdelijk was ingekwartierd

 

Financiële vergoedingen

Het dorp Sprundel werd in de loop van augustus 1914 geconfronteerd met een invasie van vele honderden militairen die in scholen, boerenschuren of bij particulieren ondergebracht moesten worden. Bewaking van de Belgische grens was de opdracht voor al die militairen die in het grensdorp Sprundel ingekwartierd waren. Voor het inkwartieren van deze militairen en/of het leveren van goederen kreeg de bevolking een vergoeding. De hoogte van deze vergoeding was wel afhankelijk van de rang van de militair. Volgens het inkwartieringsbesluit van 27 augustus 1892 (staatsblad 214) ontvangt de kwartiergever voor soldaat of onderofficier (zonder voeding) ¦ 0,20 per dag. Voor officier of een hoofdofficier respectievelijk moet ¦ 1. en ¦ 1,50 per dag worden vergoed. Het inkwartieren van een hoger in rang staande militair bracht meer geld op dan van een lager in rang staande militair. In ruil voor de hogere vergoeding kregen de hoger geplaatste militairen dan ook veel meer comfort. Zo iemand sliep bijvoorbeeld alleen op een kamer in een “normaal” bed, terwijl de gewone soldaat met een groot aantal anderen op een zolder of in een schuur op een strozak sliep.

 

De vergoedingen waren dikwijls aanleiding tot conflicten. Diverse keren wordt er melding gemaakt van het onterecht innen van gelden voor het inkwartieren en/of het leveren van goederen aan de militairen. Correspondentie tussen de gemeente Rucphen en diverse onderdelen van het ministerie van oorlog geven schaarse informatie over dat het met de vergoedingen niet altijd pluis was: Enkele voorbeelden zijn:

 

Uitgaande correspodentie van den Burgemeester  

 

22 september 1914

Gedeelte brief gericht aan Kantonement Commandant.

“Ernstig vermoeden omtrent het opdrijven van koolprijzen voor de werken der militairen in Sprundel. Een verloopig onderzoek heeft ons er toe gebracht althans voorlopig niets te betalen”

 

6 februari 1915

Gedeelte uit brief gericht aan Kolonel Com. de 11 infanterie Brigade te Leur.

“ Mijn vaste overtuiging is, dat de kwartiergevers toch nog veel meer hebben ontvangen, dan hun wettig toekwam. In boerenschuren lagen toen 40, 50 tot 60 mensen op den vloer met een bos stro zonder lakens, dekens of wat ook en daarvoor werd  8-10 tot 12 gulden per dag uitbetaald.

 

22 maart 1915

Een requistrant (kwartiergever) tekende bezwaar aan bij het ministerie van oorlog tegen een te kleine vergoeding die hij ontvangen zou hebben voor het verlenen van onderdak aan een officier. In een daaropvolgende brief werd de burgemeester van Rucphen door de Brigade Commissaris van Bergen op Zoom verantwoording gevraagd over de klacht van de requistrant.      

Gedeelte uit brief van de Burgemeester gericht aan de Heer Kolonel Brigade Commssaris te Bergen op Zoom

“ Requistrant ontving voor huisvesting van officier van 12 augustus af laat ik zeggen ¦ 230. Ik heb te Sprundel één jaar gewoond en betaalde voor een heel huis met tuin per jaar ¦ 100. Die vergelijking is wel niet zuiver maar zegt toch wel iets…”

 

In de loop van 1915 verlieten de meeste militairen Sprundel en werden de scholen weer volledig in gebruik genomen voor het reguliere onderwijs van de Sprundelse kinderen.  

Een ingezonden krantenbericht uit de Grondwet (24 september 1915) onder het pseudoniem v.R. namens het bevoegd gezag in Sprundel, stelt het gebruik en/of misbruik van vergoedingen ter discussie. De onderstaande tekst is letterlijk uit het krantenbericht overgenomen.

 

Zoo vergaat de heerlijkheid der wereld.

Sprundel 24 Sept. Men schrijft ons van bevoegde zijde uit Sprundel:

 

Stil is het in onze Dorpstraat, doodstil. Meer dan een jaar lang waren we een garnizoensplaats. Het dreunend gerammel van de kannonen, het helder getiktak van hoefijzers op de dorpsklinkers het van alles te onderscheiden kort afgebroken schuifelend gedons van een voorbij marcheerende troep, het opstaan en slapen gaan op het geschetter van den trompet; ’t is alles voorbij. ’t Is zo stil in ons dorpken. Een telefoonpaal zonder draad, een half zwart berookte keuken, een kaal gelopen terrein, hier en daar, een kookketel met drie poten, een of geen oor en gesprongen deksel, dat wekt nog zoo nu en dan de herinnering aan die drukke tijden. Ten minste van buiten, maar binnen in de woningen is men aan ’t centen tellen. Een boel centen zijn met die soldaten binnen komen rollen en ieder ving er zoo wat van op en nu is men zoo stilletjes bij de petroleumlamp aan ‘t stapelen. Er zijn menschen die altijd wat te reclameren hebben, die ook midden in ’t veen op een turfje zien,  die een gegeven paard met een vergrootglas in de bek kijken, die wijzen op een wormstekige, als men hun een mand appels cadeau geeft; maar de groote hoop is tevreden met den oogst. Een fout is ‘t dat onze burgerij dien militairen nooit iets aangeboden heeft. Een prijs bij een militair spel of wedstrijd, een traktaatje in de cantine waren wel aardig geweest als bewijs van erkentelijkheid van waardering. Dat zou er beter ingegaan zijn dan sommige krenterige reclames over een ding van geen betekenis.’t Kan toch niet ons eigen schuld zijn, dat we zoo in eens verlaten blijven zitten. En nu alles stil is, nu de herbergen weer leeg zijn, komt er plaats voor de tafelrondte om de gewenste dorpszaken te bespreken. Vanzelf komt dan de dure tijd en daarmee het dreigend te kort op de tafel en op het bed en in de kleerkast van de arme. En dan, het steuncomité, dat weer helpen zal, geleerd door ondervinding, zelfs beter dan verleden jaar. Het Kon. Nat. Steuncomité te Amsterdam, vraagt een gulle bijdrage van hen die door den toestand een extraat verdienden. Sprundel, houd u nu goed, toon, dat ge het genoten voorrecht waard zijt nu niet om dat laatste kwartje, dat ge misschien nog te vorderen hebt. Sputter nu niet tegen alles en nog wat, maar maak een nuttig gebruik van uw mobilisatie-buitenkansje, een nuttig gebruik ja, maar niet enkel en alleen voor u zelf.

 

 

Sprundelse militairen.

 

Op 20-jarige leeftijd bereikten de mannen in Nederland de dienstplichtige leeftijd. Van de gemeente waarin zij woonachtig waren ontvingen zij  een oproep voor de keuring. In de gemeentearchieven zijn diverse registers over dit onderwerp terug te vinden. Na het inschrijvingsregister volgt het keuringsregister, waarna het lotingsregister duidelijkheid geeft welke mannen echt de dienstplicht gingen vervullen. Van het totaal aantal mannen dat gekeurd werd, werd ongeveer 50% direct afgekeurd. Opvallend hierbij is dat de minimale lenge van 1,50 meter voor velen al niet haalbaar was, wat direct afkeuring tot gevolg had. De meesten die gekeurd werden hadden een lengte die lag tussen 1,50 en 1,70 meter. Het aantal ingelijfde militairen dat jaarlijks nodig was, was ruimschoots minder dan het aantal wat goedgekeurd werd. Het grootste deel van de resterenden die niet in dienst hoefden, werd vrijgesteld  wegens broederdienst, een opleiding tot of verkondiging van het geestelijke ambt of kostwinnerschap. Daarna volgde nog een loting om tot het aantal miliciens te komen wat voor dat jaar nodig was.

 

Sprundelse militairen in Numansdorp

Staand v.l.n.r. Sjef van de Sande (van ’t Klokske), onbekend, Piet van Oers en Frits Hermans.

Liggend: Diel Wijnings uit St. Willebrord, later werd hij directeur van de rozenkransfabriek op St. Willebrord, onbekend, en Jan Koenen.

 

De militie-diensttijd werd vastgesteld op zes jaar. Meestal duurde de overgang van militie naar landweer zeven á acht jaar. Voor de eerste oefening bleef de milicien acht en een halve maand in de kazerne. Na zijn klein verlof kwam hij nog tweemaal op herhaling, waarmee niet meer dan zeven weken gemoeid waren. Als de wettelijke diensttijd bij de militie was beëindigd, ging de dienstplichtige over naar de landweer. Tot de landweer behoorden, behalve de afgezwaaide miliciens, onder- en officieren van het reservepersoneel en een aantal vrijwilligers. De theoretische diensttijd duurde vijf jaar, maar in de praktijk hoefde men slechts enkele dagen door te brengen in de kazerne.Tot slot was er de landstorm. Het was een sluitstuk van het Nederlandse leger en diende als reserveleger, dat in oorlogstijd kon worden opgeroepen. Dit onderdeel bestond uit twee groepen, de geoefenden en de ongeoefenden. De eerste groep waren diegenen die hun diensttijd bij de militie of landweer hadden afgerond. De tweede groep bestond uit vrijgestelden bij militie of landweer. Daarnaast was er nog een groep vrijwilligers die zich bij de landstorm aansloot. Bij de mobilisatie op 1 augustus 1914 werden er negen militie- en zeven landweerlichtingen (die in leeftijd varieerden van 20 tot 36 jaar) opgeroepen. De landstorm werd een jaar later opgeroepen.

 

Ook de Sprundelse miliciens en landweerplichtigen werden op 31 juli 1914 door de gemeente Rucphen opgeroepen tot algemene mobilisatie. Een aantal van geboorte Sprundelse militairen die zich  waarschijnlijk op 1 augustus 1914 bij de kazerne van hun onderdeel hebben aangemeld zijn in onderstaande lijst vermeld. De gegevens van deze militairen zijn overgenomen uit de lotingsregisters gemeente Rucphen voor de militie vanaf 1898 tot 1914. Alleen de personen bij wie in dit register is vermeld wanneer men is ingelijfd, bij welk onderdeel, overgang naar de landweer en ontslag uit dienst zijn in onderstaande lijst opgenomen. Informatie over welke Sprundelse militairen zich daadwerkelijk bij hun kazerne aangemeld hebben tijdens de mobilisatie op 1 augustus 1914 was niet te achterhalen. Het is echter wel vrijwel zeker dat een groot aantal van de onderstaande mannen hierbij waren:

 

Jacobus van der Sande geboren 18 april 1878  

Zoon van Cornelis van der Sande en Maria Cas   

Ingelijfd bij militie 1 maart 1898  

 

Petrus Hesemans geboren 24 december 1881       

Zoon van Adrianus Hesemans en Maria Beun

Ingelijfd bij militie 14 maart 1901.

 

Jacobus van Meer geboren 18 juni 1881

Zoon van Franciscus van Meer en Johanna van Oers

Ingelijfd bij militie 14 maart 1901

 

Marinus Schuijbroek geboren 3 december 1881

Zoon van Cornelis Schuijbroek en Adriana Hendriks

Ingelijfd bij militie 14 maart 1901

 

Jan Koenen geboren 26 februari 1883   

Zoon van Adrianus Koenen en Dimphna Hendrikx

Ingelijfd bij militie 13 maart 1903

 

Jozef van de Zande geboren 6 september  1884

Zoon van:Adrianus van de Zande en Julia Smeyers   

Ingelijfd bij militie 18 maart 1904.

 

Piet van Oers geboren 19 februari 1884

Zoon van Cornelis van Oers en Johanna van Oers:

Ingelijfd bij de militie 30 maart 1904

 

Adrianus Koenen geboren 6 maart 1884

Zoon van Jacobus Koenen en Adriana Hendrikx

Ingelijfd bij militie 8 maart 1904

 

Frits Hermans geboren 31 december 1885

Zoon van Cornelis Hermans en Elisabeth Lucassen

Ingelijfd bij militie 16 mei 1905

 

Cornelis Kools geboren 12 juli 1886

Zoon van Jacobus Kools en Jacoba Konings

Ingelijfd bij militie 2 maart 1906

 

Petrus Woestenberg geboren 14 maart 1887

Zoon van Wilhelmus Woestenberg en Elisabeth Clement (s)

Ingelijfd bij militie 15 maart 1907   

 

Arnoldus Kerstens geboren 1 november 1887

Zoon van Marijn Kerstens en Johanna van Lijssen  

Ingelijfd bij militie 15 maart 1907

 

Adriaan v/d Maagdenberg geboren 24 april 1888  

Zoon van: Jan van den Maagdenberg en Anna Maria van Oorschot

Ingelijfd bij militie 17 maart 1908

 

Adrianus van Zundert geboren 1 december 1888

Zoon van Dingeman van Zundert en Cornelia van Oosterbosch

Ingelijfd bij militie 19 mei 1908

 

Hendrikus Evers geboren 23 september 1888

Zoon van Cornelis Evers en Helena v/d Lindeloof

Ingelijfd bij militie 25 mei 1909

 

Johannes Kools geboren 22 september 1889  

Zoon van: Jacobus Kools en Jacoba Konings

Ingelijfd bij militie 28 september 1909

 

Adrianus van Oers geboren 7 januari 1889  

Zoon van: Cornelis van Oers en Johanna Roovers

Ingelijfd bij militie 25 mei 1909

 

Jacobus Hendrickx geboren 12 april 1889

Zoon van Jacobus Hendrickx en Cornelia Sijmens

Ingelijfd bij militie 4 maart 1909

 

Johannes Kerstens geboren 26 januari 1890

Zoon van Jacobus Kerstens en Johanna Voermans

Ingelijfd bij militie 8 maart 1910

 

Antonius Janssen  geboren 3 september 1891  

Zoon van: Leonardus Janssen en Catharina van Oers

Ingelijfd bij militie 29 september 1911

 

Gerardus van Dijk  geboren 18 april 1892   

Zoon van Jan Baptist van Dijk en Anna Potters

Ingelijfd bij militie 24 september 1912

 

Adrianus Vissenberg geboren 7 juni 1892

Zoon van Hendrik Vissenberg en Maria van den Broek

Ingelijfd bij militie 24 mei 1912

 

Marinus de Bont  geboren 6 maart 1893   

Zoon van: Adrianus de Bont en Hendrika Aarts

Ingelijfd bij de militie Middelburg 20 januari 1913

 

Jacobus Evers geboren 11 juni 1893

Zoon van Jacobus Evers en Willemijna de Peijper

Ingelijfd bij militie Vlissingen 20 januari 1913

 

Augustinus van Breugel geboren 12 september 1893

Zoon van Augustinus van Breugel en Hendrika de Kruif.

Ingelijfd bij militie 2 oktober 1913

 

===============================================================

 

 

 

Marie Hermans (Zr. Alfonsa), herinneringen uit haar kinderjaren.

 

Marie werd geboren op 18 september 1918 als dochter van Alfonsus Hermans en Petronella van Dorst. Haar geboortehuis stond op het “kruispunt”. Bij het zien van onderstaande foto kwamen de herinneringen uit haar kinderjaren terug:

 

Deze foto dateert uit de mobilisatietijd ’14-’18, d.d. 22 september 1914

Bovenste rij: Oom Peet Hermans, Anna van Ginneken (zij overleed op 6 maart 1920,  26 jaar oud als dochter van Antonius van Ginneken en Anne Marie Vergouwen), Frans Vergouwen (Drie Zwaantjes), tante Louise Hermans en onbekend.

Onderste rij: Grootmoeder Betje Lucassen, Janus van der Smissen, een zoon van Jef van der  Smissen, die het bakkersvak bij grootvader leerde, hij woonde later met Jan en Naan van der Smissen in een winkel net voorbij de jongensschool (thans St. Janstraat 131 A)  en onbekend (hij heeft het blad de “avondster” vast). De twee onbekenden zijn waarschijnlijk commiezen die tijdelijk bij de familie Hermans woonachtig waren.

In die tijd waren bij Cornelis Hermans en zijn vrouw Betje Lucassen inwonend hun drie zonen Peet, Frits, Fons en dochter Louisa, vier kommiezen, twee Belgen: Joseph en Louis Nelen en een pleegkind: Frans Aufmesser uit Wenen (Oostenrijk).

 

Marie zette haar jeugdherinneringen (uit begin jaren ’20) op papier over het woonhuis van haar grootouders wat stond in de Dorpstraat (thans Hofstraat 1) waarin woonhuis, café, winkel en bakkerij waren ondergebracht.

 

Het oude huis

Men kwam binnen via een portaaltje. Daarboven zat in een kooi ’n tortelduif. Links waren de ramen. Daar zat de oude bakker Koenen vaak een borreltje te drinken, doordat hij zo beefde ging zeker de helft over de rand. Twee stoelen naast elkaar, dan een tafel waaraan Clara Vergouwen en Emile de Weert nog al eens zaten. Rechts hing tegen de muur een landkaart van Nederland, waarop ik met een keu de provincies en steden aan wees. Verder rechts was een deur naar de slaapkamer van tante Louise. In het midden van het café stond een biljart. Dan kwam rechts het trapje naar het bovenkamertje. In een bedstee lag daar oom Peet ziek te zijn. Meestal zat grootmoeder op ’n stoel naast ’t bed. ’s Avonds werd daar het rozenhoedje gebeden. Oom Frits en tante Louise hadden ’n stoel. Onze Kees en ik hingen op ’t trapje en zeiden op tijd: bid voor ons. Na de litanie kwam ’n lange reeks aanroepingen door oom Frits:

Eerst de familieheiligen:

Onze vader en Weesgegroet t.i.v. de Heilige Cornelis, daarna volgde opnieuw het onze vader en weesgegroet en dan opnieuw een Heilige naam van een familielid, Elisabeth, dan weer een onze vader en weesgegroet, de heilige familienamen die altijd vernoemd werden waren Johannes, Petrus, Fredericus, Alfonsus, Aloysius, Franciscus, Antonius,Rochus en Donatus.

 

Onder het bovenkamertje was een vrij grote kelder waar nogal eens water in stond. Als de brandweer moest oefenen kwamen ze die kelder leegpompen. Aan weerskanten van de pomp 2 mannen die de zuigers op en neer bewogen. Het brandspuithuisje stond achter de kazerne. Daar was een dubbele poort naast die kazerne waar de grote pomp doorheen kon.

Voorbij het bovenkamertje was de toog, met een spoelbak en waarop glazen en flessen stonden, haaks op die toog stond de piano. Er boven hing een kaart van Europa. Voor de toog naast het bovenkamertje een klok, die sloeg en met ’n paardje erboven op. In de rechtermuur voorbij de kachel was een raam waardoor je kon zien wie er in de winkel kwam. Tegenover de toog waren twee ramen met elk een tafel ervoor, daardoor kon je kijken onder het afdak. Daar stond ’t olievat met pomp. Ant.Verkooijen pompte de “bromolie” op in een literkan  en goot die door een trechter in de oliebus van de klant. Er hing aan de muur een kooi met een merel erin. Onder dat afdak door ging je naar de winkel, waar van alles verkocht werd. Snoep uit glazen stopflessen, beschuit, koek, handvegers, bezems, tabak, pruimtabak (Fop)  en zangzaad. Een unster om het gewicht in de balen te wegen en een weegschaal met koperen schalen waren ook in de winkel aanwezig. Voor het winkelraam naast de deur voor de klant waren ook nog schappen. Naast de piano was een deur die je naar de keuken bracht. Rechts, de platte buis. Op het vierkante onderstel kon je voeten verwarmen. In de pot werd van alles gestookt. In dat vuur werden o.a. ijzers verhit die in een strijkijzer gingen. Op de platte buis werden pannen verwarmd. In ’t stookgat stond altijd een ketel water. Verderop tegen die muur was ‘de spin” met dagelijkse benodigdheden: suikerpot, zoutvat, peperbus enz. In ’t café: jachtschilderijen die door onze Belgische familie zijn meegenomen. Een schilderij met alziend oog: God ziet mij en ‘n antieke tabakspot. Beide zijn meegenomen door Dr. Kok toen hij kwam kijken of oom en tante naar het bejaardenhuis konden. Een tondel om solfersstekskes aan te  steken. In de keuken op de schouw Delftsblauwe borden met Napoleon erop.Richting België vertrokken.

 

Boven de keukenkachel zaten in de zolderbalken spijkers om worsten en hammen te hangen om te drogen. Naast de keukendeur was een raam met een eettafel eronder, dan volgde de waterpomp met zwengel en een bak om af te wassen. Onder de  tafel stond grootmoeders stoof met test. Tegenover de kachel stond ’n hoge kast voor linnengoed en zo en stolpen erop. Daarnaast een veel lagere kast met oliestellen en een weegschaal erop. Dan was er aan die kant een deur naar de bakkerij met een oven en de krikkenbus. Een lange ijzerenhaak met houten handvat om die krikken in die bus te schrapen. Die krikken kwamen van de takkenbossen die men in het houtkotje stookte om de vloerstenen van de oven heet te maken, waarop later het brood moest bakken. Men bakte, grof brood, wit brood, rogge brood, beschuitenbollen en franskes.

 

Heb ik geschreven over “Thomassen”. Dat deed je eind december (29e ) iemand buiten sluiten, die niet binnen mocht alvorens iets te beloven. Grootmoeder beloofde ieder jaar een krentenbrood wat we met nieuwjaar kregen als we het nieuwjaarversje hadden opgezegd. In de bakkerij was een trap naar de zolder. Vooraan de straat had oom Peet zijn kamerke met een donkere kast waar hij foto’s ontwikkelde. Dan een groot open deel voor oom Frits. Achter de bedstee onder het schuine dak stond een kist waarin wij niet mochten kijken. Boeken van oom Peet o.a. een van Zola stond op de index!!

Bij de trap ‘t “knechtenkamerke” die knecht sliep daar toen niet meer. Er stonden dozen met kanten schortjes van tante Louise en oude gordijnen. Wij sierden ons daarmee op om processie te houden. Eerst naar het zomerhuis-prieel achter in de lange tuin. Daar celebreerde onze Frits het Lof. Dan over een vlonder naar de “Rooie poort” (die zwart was) en dan over katershof naar het kruis waar wij woonden. Omdat ook wij thuis een café hadden  moest ik van Door van der Smissen aan Boetje limonade gaan vragen. Gazeuse in een kogelflesje. Naast de poort waarmee je op het erf kwam lag nog een reep grond tegen Verdiezen aan. Daar stonden witte bessen. Als je uit de bakkerij kwam langs de achterdeur was er links een plee. De planken van het vloertje ervoor lagen los, want daarlangs moest die leeggeschept worden. ‘k Vond dat belangrijk. ’n Beetje verderop was het “misputje” met een kornoeljeboom er tegenaan. Een soort langwerpige kersen, kwamen eraan. In de schuur naast de winkel werd gedorst. Er stond een kafmolen. Daar was ook het geitenstalleke. Er stond ook ’t gerij.

Achter het zomerhuis was een sloot en daarachter een veld met frambozen. Daarachter weer naar de Binnenpad toe ’n driekantig stuk grond dat de Polder werd genoemd, met zwarte bessen voor de veiling die gingen in grote ronde manden. Frambozen in houten tubs en aardbeien in gevlochten mandjes (sips).  In de tuin was verder allerhande fruit; appels, peren pruimen, penningen, noten, witte druiven tegen de muur van de schuur , niet groot maar wel lekker.Het paardje stond in ’n houten kooi t.o. het keukenraam. Daar was ook het varkenskot. Tegen de hof van Janus van der Smissen stond het “olifantenhok”. Recht t.o. de achterdeur van de bakkerij ’n soort draaibare houten kast waar oom Peet in lag bij goed weer.  

Marie Hermans, Zr. Alfonsa.

===============================================================

 

Herinneringen uit de jaren ‘14-’18 door Jan Kerstens  1912-2000

De soldaten gingen in die tijd graag voor het vermaak naar café Het Heydenhof (thans Oosteindseweg 77  richting Pannenhoef). De uitbater was in die tijd Co Evers. Hij was gehuwd met Wilhelmina de Pijper (zij was toen al overleden). Het gezin Evers had vijf kinderen: twee dochters, Coos en Anneke en drie zonen, Pierre, Co en Marijn.

 

Van horen zeggen zou in de St. Janstraat (waar vroeger de kinderen van Koulil hebben gewoond) een wachthuisje hebben gestaan (ook wel schildershuis genoemd). “Schilderen” is het op wacht staan van een militair.

 

Door de gemeente werden in december 1914 voedselketels en keukens gekocht en gratis aan het leger ter beschikking gesteld. Waar Naan Commissaris gewoond heeft (St. Janstraat/ Hertogstraat), stond in die tijd een boerderijtje waar op het erf een “keukenwagen” heeft gestaan. De militairen die in Sprundel ingekwartierd waren konden hier hun eten halen.

 

Soldaten die Jan zich nog kan herinneren uit oorlogsjaren ‘14-‘18 die niet in Sprundel zijn geboren maar later in Sprundel zijn komen wonen:

 

De Sprundelse militair Sebastiaan van Gastel was ingedeeld bij de infanterie en gelegerd in de plaats Ooltgensplaat. Op 31 augustus 1914 werd hij tijdens het afroepen op het appèl onwel en overleed ter plaatse. Sebastiaan was geboren in Oosterhout en woonde in het huis waar thans Gerard Vergouwen (St. Janstraat 63) woont. Sebastiaan werd 34 jaar oud, hij is in Sprundel begraven.

 

Filibertus, Adrianus de Jong,  geboren 14 juni 1893 Etten  

Zoon van Cornelis de Jong en Johanna Hermus

Ingelijfd bij militie-infanterie 11 augustus 1914

Filibertus de Jong huwde later met Elisabeth van Ginneken uit Zundert.

Hun woonhuis stond in de Dorpstaat (thans St. Janstraat op no.139), uit dit huwelijk werden 18 kinderen geboren.

 

 

Waltherus Romme, geboren 3 augustus 1898 Fijnaart.

Was gehuwd met Leentje Aarts en woonde op de boerderij waar nu Dré Peeters woont, hoek St. Janstraat/Omgangstraat.

 

Willem Broeren, geboren 26 februari 1893  Den Dungen.

Was gehuwd met Adriana van Alebeek woonde ruim 40 jaar in de Dorpstraat (thans apotheek De Doper) en was al die jaren koster te Sprundel.

 

Adrianus de Leeuw, geboren 6 juli 1885  Oosterhout

Was gehuwd met Johanna van Nispen, hij was slager van beroep en woonde in de Dorpstraat (thans St. Janstraat 47).

 

Adrianus van Heck geboren 9 mei 1890 Driel

Was gehuwd met Adriana van Ginneken, hij was winkelier in de Dorpstraat (thans St. Janstraat 49).

 

Na afloop van de eerste wereldoorlog in november 1918 konden de inwoners van Sprundel terugkijken op een onrustige en onzekere periode waarin de Sprundelse gemeenschap   . gelukkig gespaard is gebleven van het extreem oorlogsgeweld wat onze buurlanden wel moesten ondergaan.

Ons rest de mooie oude foto’s en verhalen van ooggetuige uit die tijd waarvan er niet veel meer in leven zijn. Reden te meer om de gegevens die nog uit die periode van de Sprundelse geschiedenis bekend zijn in dit jaarboek vast te leggen.  

 

Bronnen:

Gemeente archief Rucphen

A.M.P. Kleijneld, Gemobiliseerde militairen in Tilburg tijdens de Eerste Wereldoorlog. 1983 Kroniek Zusters Vincentius-stichting Sprundel 1914/1918

Dagboek”De wereldoorlog van Toon” 1914/1918

 

Met dank aan:

Mw. Segers-Verboven Breda

Dirk Vellenga BN/De Stem

Zr. Alfonsa (Marie Hermans)

Ad Heeren Sprundel  

 

Wim Vergouwen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Heemkundekring Onder Baronie en Markiezaat Sprundel

Start.HKK Sprundel.Sprundel.Oud inwoners.Verhalen.Foto's.Museum.Jaarboek.Contact.kuierpadjes.Agenda.